Een ziekenhuisabonnement en een lever die Duvel-proof is
Een mens krijgt een diagnose en denkt dat er daarna wel snel een plan zal volgen. Maar nee hoor. Eerst moet blijkbaar mijn volledige binnenkant op de foto. Longen, lever, botten, borsten… Ik begin stilaan te denken dat ze mij van kop tot teen willen leren kennen. En eerlijk? Ik had liever op een andere manier kennisgemaakt met het ziekenhuispersoneel.
De ziekenhuisonderzoeken volgen elkaar zo snel op dat mijn agenda meer op die van een professionele patiënt begint te lijken. Gelukkig heb ik Glenn aan mijn zijde. En gelukkig hebben we allebei een nogal apart gevoel voor humor. Want als ik met elke afspraak alleen maar serieus moet omgaan, dan worden het héél lange weken.
Radioactieve botten en een droge broek
Op 23 maart staat eerst een CT-scan van mijn longen en lever op het programma. Daarvoor krijg ik contrastmiddel ingespoten. De verpleegkundige waarschuwt dat ik een warm gevoel kan krijgen. Dat blijkt nogal zacht uitgedrukt.
Ineens wordt het warm op de vreemdste plaatsen. Ja, óók daar. Ik ben er oprecht van overtuigd dat ik in mijn broek plas. Na de scan toch maar even gecontroleerd. Alles droog! Oef. We kunnen met opgeheven hoofd verder. Als dit de standaard is voor ziekenhuisonderzoeken, dan belooft dat nog wat.
Daarna krijg ik een radioactieve stof voor de botscan. Ik moet een paar uur wachten en ondertussen anderhalve liter drinken. Natuurlijk vraag ik of Duvel ook mag. Blijkbaar kon dat zelfs. Kijk, zo streng zijn ze in het ziekenhuis dus niet. Al heb ik mij toch maar aan iets anders gehouden.
Bij ziekenhuisonderzoeken leer je blijkbaar vooral één ding: wachten. We mogen tussendoor naar huis. Ik vraag me af of ik met al die radioactiviteit straks mijn telefoon met mijn vingers kan opladen. Zou toch handig zijn. Terug richting ziekenhuis wordt het vooral een wedstrijd in strategisch geplande plaspauzes. Anderhalve liter drinken op korte tijd, dat laat zich voelen.
De botscan zelf duurt ongeveer twintig minuten. Stil liggen, niet bewegen, klaar. Ik verwacht bijna dat ik ‘s avonds licht zal geven in het donker. Dan kan ik tenminste zonder zaklamp naar het toilet.
En Glenn? Die vraagt achteraf doodserieus of ik mijn botten niet moest aandoen voor de botscan. Botten. Botscan. Snap je? Ik weet niet of ik moet lachen of met mijn ogen rollen. Waarschijnlijk allebei. Maar ik ben blij dat hij er is. Met hem naast mij worden zelfs die rare ziekenhuisonderzoeken momenten waar we later nog om kunnen lachen.
Eindelijk goed nieuws… of toch niet helemaal?
Op 24 maart belt de borstverpleegkundige met de resultaten. De scans van mijn botten, longen en lever zien er goed uit. Geen uitzaaiingen te zien. Amai, wat doet dat deugd om te horen!
Voor één keer is het geen extra afspraak, geen nieuwe prik, geen vraagteken. Gewoon goed nieuws. We mogen er ene op drinken! En mijn lever? Die blijkt volgens de eerste resultaten zelfs Duvel-proof. Met alles wat dat orgaan al heeft moeten verwerken, had ik bijna verwacht dat ze het logo ergens zouden terugvinden. Maar nee. Geen reclame te bespeuren.
Ik geniet van die opluchting. Want wanneer je plots met kanker geconfronteerd wordt, krijgt ieder telefoontje van het ziekenhuis een ander gewicht. Je hoopt op goed nieuws, maar ergens houd je je toch schrap. De ziekenhuisonderzoeken geven antwoorden, maar zorgen soms ook voor nieuwe vragen.
Twee dagen later volgt alweer een nieuw hoofdstuk. Zoveel ziekenhuisonderzoeken en toch blijft de onzekerheid. Er is toch iets gezien op mijn lever dat ze beter willen bekijken. Het kan evengoed onschuldig zijn, benadrukken ze, maar ze willen zekerheid. En dus komt er maandag een leverecho bij.
Daar zit je dan. Eerst opgelucht, daarna opnieuw dat vervelende gevoel van wachten. Ik probeer mezelf voor te houden dat verder kijken niet hetzelfde is als slecht nieuws. Maar ik ga ook niet doen alsof dat wachten altijd gemakkelijk is.
Misschien is dat wel het lastigste aan al die ziekenhuisonderzoeken: je hebt zelf weinig in handen. Je kunt alleen opdagen, meewerken en wachten tot iemand je vertelt wat er op het scherm staat. En ondertussen gaat het gewone leven ook gewoon verder. Of toch: het probeert verder te gaan. Mijn hoofd maakt soms meer overuren dan de artsen die al die ziekenhuisonderzoeken uitvoeren.
Boobies in twee gaten en mijn lever op de rode loper
Op 27 maart mag ik alweer naar de kliniek, deze keer voor een MRI van mijn borsten. Eerst aanmelden met mijn pas, daarna nog eens met mijn papieren. Ze willen blijkbaar héél zeker weten dat ik echt ik ben.
Een vriendelijke man vraagt of ik mij wil uitkleden. ‘Jamaar, ik kleed mij hier niet zomaar uit voor iedereen hé!’ Gelukkig kan hij ermee lachen. Ik krijg een bijzonder charmant ziekenhuisshortje en nog maar eens een infuus. Dat prikken blijft een ambetant gevoel, ook al probeer ik er luchtig over te doen. Gelukkig krijg ik een schoon berenpleistertje. Kleine dingen, hé.
Daarna moet ik op mijn buik gaan liggen, met mijn boobies netjes in twee openingen. Awel, ik voel mij direct klaar voor de melkfabriek. Nu weet ik ongeveer hoe een koe zich voelt voor ze gemolken wordt.
Hoofdtelefoon op, muziek aan en vervolgens twintig minuten lawaai met af en toe een echt liedje ertussen. Een technofeestje zonder Duvel. Niet meteen mijn favoriete uitje, maar het zit er weer op. Als ziekenhuisonderzoeken punten kregen voor originaliteit, dan wint deze MRI met voorsprong.
Op 30 maart is mijn lever aan de beurt. Nog een van die ziekenhuisonderzoeken die ik liever niet op mijn verlanglijstje had gezet. Deze keer gelukkig geen infuus. Ik moet nuchter zijn, al vraag ik mij af of ze bedoelen dat ik niets mag eten of dat ik de avond ervoor niet mag doorzakken. Een mens kan maar beter zeker zijn.
Wat koude gel op mijn buik, een dokter die aandachtig naar een scherm kijkt en ik die doe alsof ik iets herken. Is dat mijn lever? Mijn nier? Een alien? Alles is mogelijk. Ondertussen vraag ik mij vooral af of dat Duvel-etiketje ondertussen gevonden is.
Na de echo mag ik weer naar huis. Een uitslag heb ik op dat moment nog niet. Vrijdag zouden we het volledige behandelplan krijgen. Eindelijk wat duidelijkheid, hoop ik. Want die ziekenhuisonderzoeken zijn nodig, dat begrijp ik, maar ik wil ook weten waar ik aan toe ben.
Al die ziekenhuisonderzoeken kosten niet alleen tijd. Ze vragen ook energie, geduld en soms meer moed dan ik zelf had verwacht. Het ene moment lach ik met een flauwe grap, het volgende moment besef ik weer waarom ik daar eigenlijk lig.
Ik blijf lachen, grapjes maken en af en toe iets compleet onnozels zeggen. Niet omdat ik de situatie onderschat. Wel omdat het mijn manier is om ermee om te gaan. Ik ben dankbaar voor de steun van Glenn, die op precies dezelfde golflengte zit, zelfs wanneer zijn woordgrappen echt verschrikkelijk zijn.
En ik probeer mijn hoop vast te houden. Niet door te doen alsof alles goed komt, want dat weet ik op dit moment nog niet. Wel door de dingen één voor één aan te pakken. Eerst de ziekenhuisonderzoeken, dan het behandelplan. Meer moet ik vandaag niet proberen te dragen.
Ze zullen mij misschien moe krijgen met al die afspraken. Maar klein krijgen? Daar zullen ze toch iets harder hun best voor moeten doen. 😉❤️





